Spoken-word gedichten Kitty Munichs,
uitgesproken ter gelegenheid van het afscheid van Paul Roncken.
Utrecht, 10 juni 2026
Voor de egels aan de Wibautstraat
We moeten vertragen. Hop, langzaam. Doe eens langzaam, vertraag. Adem even heel veel dieper.
Ja, dan voel je van alles, echt alles, opeens stromen, maar voel het langzaam. Vertraag traag, maar niet te traag. Vertragen kan alleen als je ooit snel ging, te snel ging, en we gaan te snel,
dus vertraag ik en ik doe het gauw.
We moeten sneller vertragen, voordat het te laat is, het is al bijna te laat. De aarde, de aarde staat in lichterlaaie, dus adem nog eens even door je neus in, maak desnoods veel geluid en door je mond uit. Ook geen koffie meer das slecht voor het klimaat, vertraag, ga traag, eet langzaam, kleine hapjes, niet te traag, vertraag.
Er heeft iemand drie porseleinen borden op een rijtje gezet, op de grond, in een klein driehoekig parkje, naast de Wibautstraat. Adem in en adem uit.
De drie borden zijn daar niet vanzelf terecht gekomen, iemand heeft ze daar neergezet.
Een mens heeft ze daar neergezet.
Drie borden op een rijtje, een keurig rijtje.
Misschien snel of traag maar ze staan daar,
en de vogels kunnen drinken want het heeft geregend en er was iets om de regen op te vangen:
drie borden.Vergeet niet
om te vertragen, loop door maar vertraag, langzaam, heb geen haast.
En egels,
egels als die er zijn, verstopt in het bosje in het driehoekige parkje naast de Wibautstraat.
Misschien leeft er daar iets in de bosjes, tussen plastic flesjes en lege blikjes, en wie weet wat nog meer Denk daar niet te lang over na. Blijf er niet te lang bij stil staan, loop door, maar rustig. Vertraag. Ik pak mijn telefoon en typ terwijl ik loop want dit is een gedicht, maar ik moet door.
Er staan drie bordjes en ik kijk. En ik loop er snel voorbij, ik heb een afspraak. Maar ik kijk. Ik kijk,
en ik lach een beetje, want iemand heeft drie borden netjes op een rijtje gezet, in een soort van parkje, een heel klein parkje, een driehoekje veldje van gras naast de weg.
En ik weet niet waarom, dus ik mag kiezen, want als je niet weet waarom dan mag je zelf kiezen, dus kies ik zelf en doe het langzaam, en ik kies
en ik kies het mooiste verhaal.
Prooi
Een vrouw werd gebeten en gegrepen
door een krokodil. Het veranderde
haar beeld van de wereld totaal.
Ik kijk naar mijn hand. Er is een bijt-afdruk zichtbaar
een zwelling. Ook ik ben prooi geweest
een voedselbron, een dorstlesser.
Ik heb me niet bedreigd gevoeld want mijn handen
zijn groter en ik sta mezelf toe ze dicht te knijpen
als ik een vliegende jager op mij af zie komen.
En ik schaam me. Want ik geloof dat al het leven
even levend is als ik. Ik geloof in de schoonheid
van muggen en evenwicht –
dat een gewichtsloos wezen door mijn huid kan prikken
vind ik weergaloos.
De vrouw vaarde met haar kano zelf
het gebied in waar de krokodillen leefde. En misschien,
wie zal het zeggen, was dit precies onbewust
haar bedoeling.
Ik kan er voor kiezen een ontmoeting te organiseren
mijn kleren uit te trekken bij de vijver achter in de tuin
tijdens het schemeruur. Ik zal ze zien landen
één voor één.
Ik zal mijn handen stilhouden. Ik zal niet voelen
wanneer ze door mijn huid heen zakken.
Ik zal niet krabben.
Ik zal niet krabben.
Ik zal mezelf voor gek verklaren als mijn huid opzwelt –
masochist, onmenselijk, niet van deze planeet.
Ik zal er niemand over vertellen.
Ik zal rennen als ik een dier in de verte zie
in de hoop dat deze ook zal rennen, achter mij aan
en sneller zal zijn.
Ik zal van de gaspeldoorn proeven, de kokossmaak
doorslikken. Ik zal Lelietjes-van-dale mengen
door mijn ontbijt. Ik zal de zee in duiken
als het stormt. Ik zal kwallen aaien
haaien lokken, ik zal tegen de stroming inzwemmen.
Oog in oog staan met een lynx
en blijven kijken.
Ik zal er niemand over vertellen.
Ik zal er niemand over vertellen.
Want ik wil een mens zijn maar dan breekbaar
op mijn knieën vallen, nederigheid kennen.
Ik wil weten dat ik feilbaar ben en toch
rechtop staan. Ik wil één zijn met dit lijf
en versnipperen in de kaken
van andere wezens. Nee
dat wil ik niet. Natuurlijk niet.
Maar muggen kom – ik zal er niemand over vertellen.
Zoem om mijn oren en bevrijd me van de fictie onaantastbaar
te zijn. Ik wil vermengbaar zijn, door celwanden heen
smelten en stromen in alle richtingen.
Ik zal me laten steken totdat ik me herinner
hoe het is om bang te zijn. Kwetsbaar
breekbaar als een pasgeboren zwaluw.
Muggen kom. Ik zal me overgeven.
En wie weet word ik dan opnieuw geboren
als dier, als mens. Als dier en mens, levend
op gelijke hoogte.
Zwarte dansers bij het water
Er liggen tientallen vleugels van libellen
op de aarde voor me. Ik raap ze op.
Hun lichamen zijn verdwenen, enkel de vleugels
bewaard gebleven. Ik raap ze op en leg ze
in mijn handpalm. Ik denk van alles. Ik weet
zo weinig. Zijn ze dood, of krijgen libellen
nieuwe vleugels elk voorjaar?
Ik zit op een bankje achter in de tuin
bij mijn huis. Ik kijk uit
over de vijver. hoewel
misschien is het eigenlijk een meer.
Tientallen zwarte insecten vliegen
over de bovenzijde van de waterlaag.
Ze cirkelen niet rond. Het is eerder
een soort van dansen. Ik probeer er één
te volgen met mijn ogen maar verlies
de focus en wordt meegenomen
in een hypnotiserende choreografie
waarin ik verdwijn van het bankje
want alles beestjes worden weerspiegeld
in de waterspiegel en zo ontstaat er
een nieuwe diepte en ik zit hier
op het bankje, met de vleugels
in mijn handpalm.
En vaag weet ik nog dat alles
waarmee ik de wereld kan vasthouden
en waarmee ik de tijd heel even
kan stilzetten, binnen ligt. Zelfs mijn woorden
ben ik verloren want sprakeloos beweeg ik mee
met de kleine zwerm zwarte wezens – die vast
een naam hebben, die vast benoemd zijn
en onderzocht. Maar ik weet
zo weinig. En het is zo stil vandaag
dat ik eindelijk weer eens de wind hoor ruisen
door de verse bladeren van de populier
en dus blijf ik zelf ook heel stil zitten
met de gevallen vleugels in mijn handpalm.
En ik kijk naar de dansers zo diep zwart
en gelijktijdig bewegend met elkaar
en zo gelijktijdig met mij hier aanwezig
op deze plek.
En ik zit en ik kijk totdat ik de fout maak
om op te staan. Ik vlieg weg naar binnen
en als ik terug kom met papier en potlood –
zijn mijn zwarte, dansende vrienden
vertrokken.
Ik heb niks om te bewijzen wat ik zag
behalve deze woorden die nu weer
langzaam terugkomen druppelen
en me aan mijn mensen-aard herinneren.

