Lieve mensen, goedemiddag.
Weinig boeken hebben mij zo ontroerd als ‘braiding sweetgrass’ waarin Robin Wall Kimmerer beschrijft hoe de natuur, de wetenschap én traditionele kennis ons leren respectvol om te gaan met de aarde. Een van de mooiste passages is als ze schrijft dat het geven van namen aan planten ervoor zorgt dat we een plant niet meer zien als een ‘ding’, maar als een ‘iemand’.
Dat bracht me op een idee: mogelijk kennen jullie de naam van degene die naast je zit helemaal niet. Wil je voordat we beginnen jezelf even voorstellen aan de persoon naast je en vertellen wanneer je voor het laatst de geur van vers gemaaid gras hebt geroken? En wat je daarbij voelde? Dan gaan we daarna verder.
Beste Paul,
Je vroeg me mijn persoonlijke reflecties te delen over leiderschap op basis van mijn ervaring bij Greenpeace. Welke vorm van leiderschap verwachten we van natuurorganisaties in een tijd waarin natuur niet alleen schoonheid brengt, maar ook zorgt voor spanningen in de samenleving? Denk aan de discussies over de wolf en stikstof.
Als het over leiderschap gaat moet ik altijd aan René Gude denken, die zei: “het leven is een gedoetje, maar we moeten er wel wat van maken”. Leiderschap – zeg ik hem na – is een gedoetje: het is complex, rommelig, vaak tasten in het duister en een worsteling. En of dat niet genoeg is, worden er regelmatig paradoxale eisen aan leiderschap gesteld.
Ik wil dat laatste illustreren aan de hand van de werking van een cel, het kleinste levende deel van ons lichaam. Een levende cel wordt bij elkaar gehouden door een heel dun membraan dat een veilige grens vormt om de kwetsbare binnenkant te beschermen tegen de chaos daarbuiten. Tegelijkertijd gebruikt de cel het membraan om selectief bouwstoffen naar binnen toe te laten en schadelijke stoffen buiten te houden.
Zo is het ook met leiderschap: een leider begrenst, houdt bij elkaar en laat zo de chaos buiten:
● Dit is onze visie op de wereld, die andere visie past niet bij ons.
● We kiezen deze koers, niet voor die andere richting.
● Dit gedrag wordt beloond, wat je nu doet kan niet door de beugel.
Een leider laat paradoxaal genoeg juist ook invloeden uit de buitenwereld toe en doet dat selectief, net als het celmembraan:
● Van hun visie kunnen we leren, we nemen dat in het vervolg mee.
● De omstandigheden zijn veranderd, we passen onze koers aan.
● Hun belangen vinden we belangrijk, die wegen we mee in ons besluit.
Leiderschap is een doorlopende oefening tussen aan de ene kant afbakenen en begrenzen en aan de andere kant het toelaten van de buitenwereld en juist open staan. Een balans tussen stevigheid en ontvankelijkheid.
Het leiderschap dat natuurorganisaties nu moeten laten zien wat mij betreft, is ‘levend leiderschap’ dat analoog aan een celmembraan stevigheid en ontvankelijkheid combineert.
Op de eerste plaats erkent ‘levend leiderschap’ net als een cel de noodzaak van het afsluiten voor de buitenwereld, voor de begrenzing, voor de stevigheid en voor het niet verbinden om te voorkomen dat schadelijke invloeden het leven aantasten.
Op de tweede plaats laat levend leiderschap de belangen van het hele web van leven toe. Niet alleen de belangen van de mensen van vandaag, maar ook die van toekomstige generaties. Niet alleen van mensen maar ook van alle andere levensvormen zoals dieren, planten en schimmels. En het staat niet alleen open voor wetenschap, maar ook voor andere vormen van kennis, voor intuïtie en emotie en voor andere natuurbeelden.
Ik laat jullie aan de hand van drie casussen zien waarom levend leiderschap zo belangrijk is, maar ook waarom het zo complex en soms een worsteling is.
DE EERSTE CASUS
In 1976 toen Greenpeace nog maar een paar jaar bestond, startte de organisatie een campagne om de commerciële zeehondenjacht in Canada te beëindigen. Jonge zeehonden werden doodgeknuppeld voor hun vacht en verwerkt in bontjassen. Greenpeace-activisten spoten onschadelijke verf op de dieren en dat maakte hun vacht commercieel waardeloos. De campagne had succes, er kwamen in Europa en Amerika verboden op zeehondenproducten. Maar op één cruciaal punt faalde de campagne ernstig.
Greenpeace richtte zich tegen de commerciële jacht en niet tegen de kleinschalige jacht voor eigen levensonderhoud door inheemse volkeren. Maar door de campagne stortte de markt voor zeehondenbont in en dit beroofde ook de inheemse bewoners van hun inkomsten. Dit heeft geleid tot armoede, honger en zelfs tot een stijging van de zelfmoordcijfers.
Er was meer aan de hand dan een campagne die slecht werd uitgevoerd met onbedoelde effecten, het was ten diepste een clash tussen natuurbeelden waarbij Greenpeace uitsluitend vanuit het eigen natuurbeeld opkwam voor de natuur en de mens uit het oog verloor. Uitgerekend groepen zoals de Inuit die in balans leven met de natuur, die niet meer nemen dan ze nodig hebben, die de dieren, het land en de oceaan eren, werden het slachtoffer.
Om het in de beeldspraak van levend leiderschap te formuleren: als het membraan van een cel hermetisch afgesloten is voor invloeden van buitenaf, dan sterft de cel. Er moet uitwisseling plaatsvinden om te leven. In dit geval had er uitwisseling plaats moeten vinden tussen natuurbeelden. Er was te veel stevigheid, te weinig ontvankelijkheid.
In 1985 en nogmaals in 2014 is Greenpeace door het stof gegaan en heeft haar excuses aangeboden. Sindsdien is voor de organisatie de gezondheid van ecosystemen onlosmakelijk verbonden met de rechten en het welzijn van de gemeenschappen die er wonen. En er wordt inmiddels wereldwijd goed samengewerkt met inheemse groepen. Maar de schaamte over die beginjaren blijft.
Dan DE TWEEDE CASUS, dichter bij huis en actueler: de stikstofcrisis.
De feiten zijn denk ik bij jullie bekend: door de uitstoot van het verkeer, de industrie en de veeteelt ligt er een dikke deken van stikstof over ons land waardoor we kwetsbare natuur kwijtraken. Om dit op te lossen moeten we veel minder koeien houden in ons land. Maar we kennen ook allemaal de trekkers met bezorgde boeren op de snelweg.
Als je vindt – zoals ik net zei bij de eerste casus – dat de gezondheid van ecosystemen onlosmakelijk verbonden is met de rechten en het welzijn van gemeenschappen, hoe ga je dan om met boeren die soms al generaties op hetzelfde land wonen en werken? Met mensen die er vaak een heel ander natuurbeeld op nahouden.
Met de lessen uit de campagne tegen zeehondenjacht in gedachte, zou je kunnen denken dat dialoog met de landbouwsector om de stikstof te verminderen de enige weg is. En hier kiezen veel natuurbeschermers inderdaad al tientallen jaren voor: samen zoeken naar oplossingen, elkaar vasthouden en er samen uit proberen te komen. Maar al polderend en verbindend zijn we nu op een punt gekomen dat de Nederlandse natuur er zeer slecht voorstaat. Onze waterkwaliteit, het bodemleven, de omvang van insectenpopulaties, de luchtkwaliteit: het levert een belabberd beeld op.
Hoe nobel het verbinden van mensen onderling ook is, de ongemakkelijke waarheid is dat het voor de natuur tekortschiet. De eenzijdige focus op de belangen van mensen houdt geen rekening met het leven van het korhoen, niet met dat van de kleine heivlinder of dat van veenmossen. Het vergeet de intrinsieke waarde van de rivieren die opdrogen in de Braziliaanse cerrado, door de sojateelt. Het vergeet toekomstige generaties, die op ons rekenen dat wij ervoor zorgen dat ook zij nog op een leefbare planeet kunnen wonen.
Greenpeace koos in het stikstofdossier niet voor verbindend leiderschap en samenwerking, maar voor de complexe route van levend leiderschap. Voor minder ontvankelijkheid en meer stevigheid.
We voerden een zeer vergaande stikstofrechtszaak en de rechter heeft ons in het gelijk gesteld. Die uitspraak heeft op termijn grote gevolgen voor de boerengemeenschap. Dat heeft geleid tot woede, frustratie en verdriet. Maar vanuit levend leiderschap, waarbij de belangen van al het leven en dat van toekomstige generaties meewegen, was het een logische keuze.
Dat zeg ik niet gemakkelijk, dit soort keuzes waren worstelingen die me letterlijk wakker hebben gehouden. Hoe weeg je belangen af terwijl je weet dat je net als ieder mens vanuit je eigen denkkader en natuurbeeld naar de wereld kijkt? En dus per definitie een beperkte bril op hebt.
We hebben onze verantwoordelijkheid genomen en ook de belangen van boeren meegenomen in ons werk. Zo waren we de eersten – nog voor LTO Nederland – die hebben gepleit voor het miljardenfonds dat later is opgetuigd om boeren door de transitie te helpen. Ook zijn we jarenlang met boeren in gesprek gegaan om van hen te leren. We hebben onze taal en toon aangepast, om niet verder bij te dragen aan polarisatie en uit respect voor de mensen die door de stikstofmaatregelen worden geraakt. We hebben ons niet met oogkleppen – of anders gezegd met gesloten membraan – opgesloten in ons eigen gelijk. We hebben juist álle belangen van al het leven volwaardig laten meewegen.
Voor wie nu denkt, “hij staat daar wel heel zelfverzekerd te vertellen hoe goed hij het heeft aangepakt bij Greenpeace”, volgt nu casus drie waarin ik wat dieper probeer te reflecteren op mijn leiderschap bij Greenpeace, met name wat ik achteraf beter had moeten doen.
Toen ik aantrad als kersverse directeur bij Greenpeace en een nieuwe organisatiestrategie opstelde, schreef ik dat we in de allerlaatste fase zitten van het beschermen van het klimaat en de natuur. Ik noemde dat ‘het eindspel’, analoog aan de eindfase in het schaakspel waarin de meeste stukken zijn geslagen en het spel verandert van karakter, het wordt dan alles of niets.
Ik heb de wetenschap aan mijn zijde met die analyse: elk gezaghebbend instituut luidt de noodklok over de staat van de wereld. Vanuit die wetenschap heb ik leiding gegeven: met veel urgentie, met bewuste focus op de kortere termijn en met veel verontwaardiging in mijn hart over de staat van de wereld.
Die aanpak leverde resultaten op waar ik tevreden op terugkijk. Maar toch ben ik in december uit eigen beweging gestopt bij Greenpeace, omdat ik toe was aan een andere richting. Dat heeft te maken met het volgende:
Kilometers onder het aardoppervlak leven ontelbare micro-organismen, met honderden keren het gewicht van alle mensen op de wereld bij elkaar opgeteld. Sommigen daarvan zijn duizenden jaren oud. Ik vind nu dat het te antropocentrisch van mij was om te zeggen dat er een ‘eindspel’ gaande is, hoe slecht het ook met de natuur en het klimaat gaat. En ik heb daarmee bijgedragen aan pessimisme of zelfs fatalisme over de toekomst. Zeker, wij gaan moeilijke tijden tegemoet, maar het leven in de volle omvang is onverwoestbaar en vindt altijd zijn weg. Daar put ik steeds meer hoop uit en we hebben als samenleving dringend een portie hoop nodig. Of zoals Toon Hermans het ooit zei: “we hebben mensen nodig die zonnen aansteken”.
Behalve dat mijn eindspel benadering te veel de mens centraal heeft gezet, erkende het ook te weinig de kracht van toekomstige generaties. Jullie kennen vast het verhaal van de monarchvlinder. Om de jaarlijkse migratie tussen Canada en Mexico te voltooien, zijn vier generaties vlinders nodig. Omdat geen enkele vlinder de hele route zelf kan afleggen, vertrouwt elke nieuwe generatie dus op de volgende. Dat wij mensen op dit moment niet in staat zijn om de klimaat- en biodiversiteitscrisis te keren, wil niet zeggen dat we dit niet over twee, vijf of zeven generaties wel kunnen. Elke vlinder en ook elke generatie mensen zal zich maximaal moeten inspannen om de route af te leggen. Maar de monarchvlinder leert ons ook te vertrouwen op de mensen die nog niet zijn geboren. Op hun energie, vindingrijkheid en liefde voor de wereld om zich heen. Hoe die er dan ook uitziet.
Terwijl ik de wetenschap aan mijn kant had met mijn analyse en aanpak, had ik mezelf achteraf wat meer rust, reflectie en wijsheid toegewenst, minder opgesloten in mijn eigen werkelijkheid. Mijn membraan had meer open kunnen staan voor andere wijsheid dan wetenschap. Ik heb resultaten geboekt, maar geen zonnen aangestoken. Met een beetje geluk heb ik nog veel werkzame jaren voor me, om dat wel te gaan doen.
Dan DE LAATSTE CASUS.
Afgelopen maart liep ik in Italië de pelgrimstocht van Franciscus van Assisi, de patroonheilige van de natuur. De natuur in de Apennijnen kroop langzaam uit haar winterslaap. Ik zag fel paarse bosviooltjes uit de nog harde bruine grond komen. In de modder zag ik de pootafdrukken van een roedel wolven. In combinatie met de stilte was het betoverend.
Maar de wolf veroorzaakt zeker niet alleen maar betovering. Er is ook angst voor de wolf en het leiderschap dat natuurorganisaties laten zien om de samenleving hierin te begeleiden, schiet in mijn ogen tekort. Terwijl mensen op NPO 1 zien dat kinderen en hardlopers worden gebeten en dat boeren verdrietig in de wei staan naast hun doodgebeten schapen, vertellen natuurbeschermers op NPO 2 dat we niet bang hoeven te zijn voor de wolf omdat de dieren eigenlijk nooit bijten. Dat het dier Europees is beschermd en niet meer weg zal gaan uit ons land. En geen zorgen: voor de schapen treffen we een compensatieregeling.
Ons natuurbeeld tegenover dat van jullie. Wetenschap en wetgeving tegenover angst en verdriet. Ratio versus emotie. De afloop kunnen we voorspellen.
Als de druk in de samenleving toeneemt door nieuwe bijtincidenten en de bescherming van de wolf vanuit Europa verslapt, hebben we voor je het weet een polderakkoord en een wolvenafschotquotum. Ik zie het er zo van komen. Terwijl we vanuit levend leiderschap zowel stevigheid moeten tonen – en het dier maximaal de ruimte moeten geven – als tegelijkertijd ontvankelijker moeten zijn voor andere waarheden.
De Australische filosoof Val Plumwood kan ons over de omgang met de wolf een wijze les leren.
In 1985 werd Plumwood in haar kano aangevallen door een zoutwaterkrokodil. Ze werd onderworpen aan de beruchte dodenrol, raakte zwaargewond maar overleefde en schreef hierover het boekje ‘De ervaring prooi te zijn’. Hierin legt ze uit dat de aanval haar dwong te zien dat ze voor de krokodil gewoon voer was en dat de natuur geen rekening houdt met de menselijke status. Van de dominante, controlerende en bovenliggende positie die Plumwood normaal gesproken innam ten opzichte van de natuur, werd ze opeens de onderliggende partij; er werd op haar gejaagd, ze was voer en dat veranderde haar natuurbeeld radicaal.
Door de komst van de wolf in Nederland verliezen mensen de controle en ze worden in hun zelfbeeld en natuurbeeld geraakt. Plots voelen mensen zich weer bedreigd door de natuur of dat nu rationeel klopt of niet. Ik heb geen pasklaar antwoord hoe natuurorganisaties de samenleving wel kunnen begeleiden, maar mijn intuïtie zegt dat levend leiderschap nu van belang is. Leiderschap waarbij we zowel afbakenen en begrenzen en de komst van de wolf maximaal beschermen als tegelijkertijd ons membraan openstellen en leren doorvoelen wat het betekent dat mensen hun zelfbeeld zien veranderen. En dat we van daaruit het gesprek kunnen starten met de samenleving.
Lieve mensen, ik ga afronden,
Vorige maand was ik voor het eerst in lange tijd terug in de wijk in Heerlen Noord waar ik als jongen opgroeide. Mijn oude kleuterschool en basisschool zijn weg, veel huizen zijn verouderd. Waar ik vroeger speelde lagen de resten van een afgedankte scooter tussen het hoge onkruid. Ik kon de sociale problemen aan de gezichten aflezen. De kerk, vroeger het hart van de wijk, lag er slecht bij. De kerkmuur is verzakt en er zit prikkeldraad op. Ik herkende nauwelijks de wijk van vroeger en had grote moeite om jeugdherinneringen op te halen.
Tot ik vers gemaaid gras rook. In een flits herinnerde ik me hoe gelukkig ik was als ik met mijn moeder kastanjes zocht bij de kerk; hoe dikker en glanzender, hoe mooier ik ze vond. Het waren niet de wijk, mijn oude huis of de kerk, maar de geur van het gras en de herinnering aan de kastanjebomen die me de verbinding met vroeger teruggaven.
Leiderschap is een voortdurende evenwichtsoefening, vergelijkbaar met dat wat er
plaatsvindt in een cel. We moeten durven afbakenen om te beschermen wat kwetsbaar is,
maar leiderschap vraagt ook van ons om ons écht helemaal open te stellen voor al het leven, voor rationele wetenschap en intuïtieve kennis, voor nu en de generaties na ons, voor heden en verleden.
Eerlijk gezegd, zo heel vaak lukt het me niet om zo’n leider te zijn. Dan is leiderschap best een gedoetje, misschien herken je dat ook bij jezelf. Soms lukt het me wel om mijn membraan helemaal open te stellen, zoals toen ik de geur van gras rook en heden en verleden even samenvielen. En als het me lukt, is het altijd de natuur die me daarbij helpt.
Beste Paul, jij hebt met NatuurCollege mensen gestimuleerd om hun membraan écht te
openen. En daarmee heb je bijgedragen aan het leiderschap dat we nodig hebben. Heel veel dank daarvoor. Ik wens je alle goeds voor je toekomst.
Dank jullie wel.